Art. 1.
Voor een termijn van zes jaar, aanvang nemend op 1 januari 2008 en eindigend op 31 december 2013 wordt een jaarlijkse belasting geheven op de niet bebouwde gronden, gelegen in gebieden bestemd voor wonen volgens de geldende plannen van aanleg en/of het plannenregister en palend aan een openbare weg die voldoende is uitgerust zoals bepaald in artikel 100.
Art. 2.
De belasting is vastgesteld op 0,25 euro/m² met een minimum van 100 euro per onbebouwde grond. Als basis wordt het kadastraal perceel genomen waarbij enkel de oppervlakte binnen de 50-meter zone ten opzichte van de uitgeruste weg in rekening wordt gebracht.
Art. 3.
Voor eigenaars van gronden die twee, drie, vier of meer opeenvolgende jaren in het belastingkohier voorkomen wordt het bedrag als volgt vastgesteld:
Bedragen in euro | Per m² | Minimum |
Jaar 2 | 0,50 | 150 |
Jaar 3 | 1,00 | 200 |
Jaar 4 en volgende | 1,50 | 300 |
Art. 4
De belasting slaat op de eigendom en is dus verschuldigd door de eigenaar. In geval van mede-eigendom, is iedere mede-eigenaar belastingschuldig voor zijn wettelijk deel.
Art. 5
Ingeval van overdracht van de eigendom is de belastingplichtige verplicht de identiteit van de nieuwe eigenaar te melden aan het gemeentebestuur. De nieuwe eigenaar is de belasting verschuldigd vanaf 1 januari volgend op de datum waarop het goed werd overgedragen.
Art. 6
Eigenaars van niet bebouwde gronden zoals bedoeld in artikel 1 maar gelegen buiten het centrumgebied zijn van de belasting vrijgesteld.
Art. 7
Als centrumgebied wordt afgebakend: Markt, H. Hartplein, Avil Geerincklaan, Zwaanstraat, Cesar Meeusstraat, Oudburgstraat, Kouter, Dr. A. Rubbensstraat, De Deckerstraat en Lokerenbaan tot aan spoorweg.
Art. 8
Zijn eveneens van de belasting vrijgesteld:
1. De eigenaars van één enkele onbebouwde grond bij uitsluiting van enig ander onroerend goed. Deze vrijstelling geldt alleen maar gedurende de vijf kalenderjaren die volgen op de verwerving van het goed. Ze geldt gedurende de vijf dienstjaren die volgen op de inwerkingtreding van de belastingverordening indien het goed op dat tijdstip al verworven was.
2. De Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende sociale huisvestingsmaatschappijen.
3. De ouders met kinderen ten laste, beperkt tot één bouwgrond per kind ten laste. Ook deze vrijstelling geldt alleen maar gedurende de vijf kalenderjaren volgend op de verwerving van het goed. Zij geldt gedurende de vijf dienstjaren die volgen op de inwerkingtreding van de belastingverordening, indien het goed op dat tijdstip al verworven is.
4. De gronden waarop krachtens een overheidsbeslissing niet mag worden gebouwd of die werkelijk voor land- of tuinbouw worden gebruikt.
5. De gronden waarop omwille van de beperkte afmetingen geen stedenbouwkundige vergunning voor een woning kan verkregen worden.
Art. 9
Als bebouwde gronden worden beschouwd de gronden waarop, ingevolge een verleende stedenbouwkundige vergunning, de oprichting van het hoofdgebouw is aangevat op 1 januari van het dienstjaar waarop de belasting slaat.
Art. 10
De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem, behoorlijk ingevuld en ondertekend, voor de erin vermelde vervaldatum moet worden teruggestuurd.
Art. 11
De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen is gehouden, uiterlijk op 30 april van het belastingjaar, aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.
Art. 12
Bij gebrek aan aangifte binnen de vastgestelde termijn of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige ambtshalve ingekohierd volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep.
Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college van burgemeester en schepenen aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Art. 13
De overeenkomstig artikel 12 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting. Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd.
Art. 14
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Art. 15
De belasting moet betaald worden binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Art. 16
De belastingplichtige kan een bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en schepenen.
Het bezwaar moet, op straffe van nietigheid, schriftelijk worden ingediend, en worden gemotiveerd. De indiening kan gebeuren door verzending per aangetekend schrijven of door overhandiging aan de gemeenteontvanger.
Deze indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van zes maanden vanaf de verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat.
Het indienen van het bezwaar ontslaat de belastingplichtige niet van de verplichting de belasting binnen de gestelde termijn te betalen.
Art. 17
Zonder afbreuk te doen van de bepalingen van de wet van 24.12.1996, zijn de bepalingen van titel VII, hoofdstukken 1,3,4,7 tot 10 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek van toepassing op de gemeentebelastingen voor zover zij niet de belastingen op de inkomsten betreffen.
Art. 18
Afschriften van deze beslissing zullen aan de toezichthoudende overheid overgemaakt worden. Bijlage bij dit besluit: kaartje met afbakening van het centrumgebied.